Tsunami

Werkstukken en spreekbeurten

Een aardbeving kan ook op de zeebodem plaatsvinden. Een krachtige beving kan een onverwachte vloedgolf vanuit zee naar de kust veroorzaken. Dat noem je een tsunami.

Zeebeving

De korst van de aarde bestaat uit losse platen die langzaam verschuiven. Deze bewegingen noemen we platentektoniek. Het kan gebeuren dat de platen hard tegen elkaar aan duwen, waardoor een aardbeving of zeebeving ontstaat. Seismologen meten de kracht van een beving op de schaal van Richter. Bevingen met een kracht van minimaal 8 op de schaal van Richter zorgen voor een tsunami. Recht boven de zeebeving, bij het epicentrum, komt het zeewater dan omhoog. Bij het wateroppervlak ontstaan kringen van rimpelingen. Hoe zwaarder de zeebeving, hoe groter de rimpelingen. Die rimpelingen groeien aan tot golven die zich sneller verplaatsen als de golven groeien. Pas als het water bijna aan land is, zie je de vloedgolf. Vlak voordat de tsunami aan land komt, trekt de zee zich plotseling terug. Daarna komt de vloedgolf, die soms wel dertig meter hoog kan zijn. De golf sleurt mensen en gebouwen mee.

Waarschuwingssystemen

Het is niet mogelijk om een tsunami te voorkomen, omdat we zeebevingen niet kunnen tegenhouden. Maar we kunnen een vloedgolf wel voorspellen. Speciale waarschuwingssystemen bewaken de beweging van het zeeoppervlak en meten aardbevingen diep in de zee. Zo kunnen specialisten de kustbewoners op tijd waarschuwen om te vluchten voor een tsunami.

Tsunami in de Indische Oceaan

Op 26 december 2004 ontstond een zeebeving in de Indische Oceaan. De beving had een kracht van 9 op de schaal van Richter. De kusten van Indonesië, Sri Lanka, India en Thailand overstroomden door de tsunami. Bijna 300.000 mensen kwamen om het leven.