Schaatsen

Werkstukken en spreekbeurten

Schaatskoorts. Dat is typisch Hollands. Als het ijs op de sloten ligt, móet er gereden worden. Wedstrijd of toertocht, jong en oud.

De schaats

De eerste schaatsen werden gemaakt van rendierbeen. Daarna kwamen de houtjes, schaatsen gemaakt van hout met een ijzertje eronder. Deze zijn waarschijnlijk aan het eind van de veertiende eeuw ontstaan. Verstelbare schaatsen waren er al in 1800. Tegenwoordig zijn er veel verschillende soorten schaatsen. Denk maar aan kunstschaatsen, ijshockeyschaatsen, shorttrackschaatsen en ‘noren’.

Schaatstechniek

Om goed te kunnen schaatsen, heb je een goede houding nodig. Diep zitten en door de knieën. Recht op de schaats blijven staan. De rug wat bol (een kattenrug noemen ze dat). Je knie blijft recht boven de voet. En je afzet is met de hele lengte van de schaats zijwaarts. Het gewicht verplaatst zich dan naar het andere been. In de bochten moet je overstappen en weer anders afzetten. Kies je voor ijshockey, shorttrack of kunstschaatsen, dan heb je natuurlijk andere schaatsen en technieken nodig.

Langebaanschaatsen

Het langebaanschaatsen was in het begin eigenlijk gewoon schaatsen. Pas toen de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond (KNSB) in 1882 werd opgericht, kwamen er nationale wedstrijden. Snel daarna volgden ook de internationale wedstrijden. Bij de wedstrijden rijden schaatsers op een ovale baan van vierhonderd meter. Er wordt in paren gereden. De één start in de buitenbaan en de ander in de binnenbaan. Op het rechte stuk wisselen de schaatsers iedere ronde. Iedereen maakt zo evenveel buiten- als binnenbochten. De vrouwen rijden de 500, 1000, 1500, 3000 en de 5000 meter. De mannen rijden de 500, 1000, 1500, 5000 en de 10.000 meter.